De tram conductrice

Tram zeven rijdt eigenlijk verschrikkelijk om en het duurt nog tien minuten voordat hij vertrekt. Dit wordt een te lange reistijd om nog normaal te verantwoorden, maar het maakt niet uit. Ik heb net een tentamen gehad, op een zaterdagmiddag, het is koud, de tram biedt warmte. Buiten de tramconductrice om ben ik nog de enige in de tram. Ze zit met haar rug tegen de zijkant van de tram, benen over twee stoelen heen.  Enigszins geschrokken merkt ze mijn aanwezigheid op en maakt aanstalten om op te staan.

‘Blijf rustig zitten!’, zeg ik snel. Ze twijfelt even maar staat toch op en loopt naar me toe. ‘Ik maak het mezelf soms gemakkelijk’, zegt ze. ‘je zal jezelf ook wel afvragen waarom ik een coltrui draag met een veel te wijde jas enzo!’.  Op zich maakte ik me daar niet zo druk om, maar ik kijk haar vragend aan. Een blik die niet perse nodig was geweest. ‘Werk is werk. Ik kom hier niet om een modeshow te lopen, hier krijg ik betaalt en thuis draag ik wel wat moois! Daarbij, ik heb geen zin om ziek te worden; elke keer die deuren open en dicht. Ik word hartstikke verkouden als ik mezelf niet goed aankleed’. Ik ga maar mee in het verhaal: ‘Groot gelijk heeft u, om constant ziek te zijn is ook niet alles en wat maakt u het uit wat anderen van uw werkkleding vinden’. Deze opmerking schijnt hilarisch te zijn want ze begint te lachen en haar ogen beginnen hevig te twinkelen. ‘NOU!’, zegt ze. ‘Voor sommige collega’s maakt het uit hoor!’. Ik kijk wederom vragend. ‘Er is een collegaatje in een andere tram, ik weet even niet welke, maar die denkt dat ze een model is! Ze doet constant alsof ze op een catwalk staat in plaats van in een tram!’. Ondertussen is de tram al een stukje voller geworden, voornamelijk met studenten. De conductrice wenkt me mee naar het midden van de tram, ik volg lijdelijk. ‘Kijk’,  zegt ze. ‘Hier staat ze dan, allerlei poses uit te proberen’. Terwijl ze dit zegt doet ze de ene cliché modellenpose na de andere voor. Ik kan ondertussen mijn lach niet meer inhouden waardoor de overige mensen in de, inmiddels rijdende, tram ons als punt van aandacht hebben verkozen. Een al wat oudere dame met zonnebril en rollende boodschappentas lacht hartelijk met me mee. We lopen weer terug naar de plek waar we de rit zijn begonnen. Hier is intussen een vrouwtje gaan zitten die een vriendin of collega van de conductrice blijkt te zijn. Op de vraag van de conductrice of ze wist wie nagedaan werd wordt heftig ja geknikt, ‘Is echt zo hoor!’ verzekert ze me.

De conductrice heeft een  constante lach op haar gezicht, wat erg aanstekelijk werkt. Ik giechel nog een beetje na terwijl ze plots een ernstig gezicht trekt: ‘Ik heb vervelende dingen meegemaakt hoor’. De lach komt al vlug weer terug: ‘ Maar je moet je eigen geluk zoeken, overal is wel een beetje lol te vinden!’. Zo begint de start van een nieuw verhaal. Ze vertelt dat ze haar kind is verloren en erna in delta is beland. ‘Was natuurlijk een vervelende periode, maar ik heb ook veel plezier gehad. Er zaten daar voornamelijk vrouwen, een paar mannen maar. Er was een jongen en die was mooi! Hij had alle aandacht van de vrouwen hoor. Iedereen zat altijd aan hem’. Ter demonstratie strijkt ze een paar keer over mijn arm heen. Ik moet licht ongemakkelijk hebben gekeken want de vriendin/collega begint te gniffelen. De conductrice heeft niets door en gaat verder met haar verhaal. ‘Elke avond moesten de lichten om elf uur uit zijn en iedereen dus netjes in bed. Na de eerste ronde van de aanwezige zuster waren veel bedden echter leeg. Haast alle vrouwen probeerde dan naar de kamer van de mooie jongen te komen. Het hout in de midden van de gang kraakte heel hard. Je moest dus geplakt tegen de muur richting zijn kamer schuifelen. Het zag er niet uit, wel vier vrouwen of meer, tegen die muur gekleefd, proberen stil te zijn. Eenmaal in de kamer aangekomen was het avontuur nog niet over. De zusters hadden meestal wel door dat er iets aan de hand was en kwamen dan op de deur van de mooie jongen kloppen. Iedereen ging zich dan snel verstoppen. Eentje achter het gordijn, onder het bed, soms zelfs in zijn bed. Ik moest altijd achter de kast. Je zal het niet geloven, maar ik was toen nog de dunste’. Het gehele verhaal gaat gepaard met bewegingen die het illustreren, inclusief geschuifel en gespreide armen. Terwijl ik mijn best doe om mijn lachstuip te stoppen begint ze aan haar laatste verhaal.

‘We gingen ook altijd zwemmen in een hotel in de buurt. Op een keer was er ook een redelijk bekend voetbalteam aan het zwemmen, zij verbleven in het hotel, wij natuurlijk niet. Een van de voetballers kwam toen naar me toe met de vraag of ik mee uit wilde gaan die avond. Ik moest wel afslaan. Hij bleef maar proberen me mee te krijgen en vroeg uiteindelijk waar ik verbleef’.  ‘Oh oh’,  zeg ik. ‘JA, precies!!’, vervolgt de conductrice, ik wist niet wat ik moest zeggen’.  Ze begint hard te lachen. ‘Ik zei uiteindelijk met een hoog stemmetje, “nou we zijn aan het kamperen!” Waarop de voetballer zegt:  “Sinds wanneer kamperen donkere mensen?!”‘ Zowel de conductrice als haar vriendin beginnen hierop zo hard te lachen dat ik maar, een beetje perplex, meedoe. Terwijl we alle drie onze kalmte terug winnen horen we plots hard gelach vanaf de andere kant van de tram. Wat blijkt, de oude dame met de zonnebril heeft de verhalen ook gevolgd en komt niet meer bij. Dit brengt ook bij ons een nieuwe lachbui teweeg. Precies dat moment hoor ik dat mijn stop wordt omgeroepen, ik excuseer me en maak aanstalten om de tram te verlaten. Zowel de vriendin als de conductrice geeft me een hand terwijl ik ze een fijne dag wens. Terwijl ik uitstap roept ze me nog na: ‘ Ik hoop dat ik je dag wat beter heb gemaakt en niet vergeten, je moet je eigen geluk zoeken!’.